Persoonlijk Leiderschap
start 25 september 2019

Zeven stellingen over succesvol schoolleiderschap herzien

Ewout van Luijk, 9 mei 2019

Schoolleiderschap is na het leraarschap de tweede meest invloedrijke factor op de resultaten van leerlingen. Deze stelling heb je vast wel eens eerder gelezen. De kans is groot dat hierop een verwijzing naar een reviewartikel van Leithwood, Harris en Hopkins (2008) volgde. In dit artikel gingen deze auteurs op zoek naar antwoorden op de vraag: Wat kunnen we op basis van wetenschappelijk onderzoek zeggen over effectieve en succesvolle schoolleiders? In hun artikel formuleerden zij op basis van hun review zeven stellingen. Nu, elf jaar later, hebben de auteurs deze stellingen opnieuw tegen het licht van de wetenschap gehouden. Met de kennis van nu blijken deze zeven stellingen nog steeds grotendeels valide. Een kort overzicht van de (herziene) “seven strong claims about succesfull school leadership”:

Stelling 1. Schoolleiderschap is na het leraarschap de tweede meest invloedrijke factor op de resultaten van leerlingen.

Schoolleiders doen ertoe! Dat is fijn om te lezen en misschien was je hiervan zelf al overtuigd. Maar op welke manier doen schoolleiders ertoe? Hoe zijn schoolleiders van invloed op de resultaten van leerlingen? Alleen met gedegen wetenschappelijk onderzoek is het mogelijk om de invloed tussen schoolleiderschap en resultaten van leerlingen aan te tonen. In hun oorspronkelijke artikel konden de auteurs deze stelling onderbouwen door te verwijzen naar de inzichten vanuit verschillende vormen van onderzoek, zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek en zowel generiek onderzoek naar leiderschapseffecten als zeer gericht onderzoek naar bijvoorbeeld de bijdrage van schoolleiders op de betrokkenheid van leerlingen bij de school. In het recente artikel geven de auteurs echter aan dat de huidige wetenschappelijke inzichten tot een herziening van de stelling dwingen. Steeds meer onderzoek laat zien dat schoolgerelateerde factoren maar beperkt van invloed zijn op het leren van leerlingen. Bredere factoren als sociaaleconomische status en thuissituatie blijken veel meer invloed te hebben op de resultaten van leerlingen. Daarnaast zijn andere schoolgerelateerde factoren, bijvoorbeeld het geloof in eigen kunnen in lerarenteam en het pedagogisch klimaat, minstens evenveel van invloed. Tot slot blijkt uit steeds meer onderzoek dat de invloed van het schoolleiderschap op de resultaten van leerlingen veel meer indirect dan direct verloopt (zie stelling 4).

Herziene stelling: Schoolleiderschap heeft een significant effect op het functioneren van de school en beïnvloedt daarmee indirect de kwaliteit van het onderwijs. Schoolleiderschap is essentieel bij het doen slagen van de ontwikkeling van de school.

Stelling 1

Stelling 2. Bijna alle succesvolle schoolleiders maken gebruik van hetzelfde repertoire van leiderschapspraktijken.

Wat doen succesvolle schoolleiders waardoor hun leiderschap zo effectief is? Waar richten zij zich op in hun praktijk? In het oorspronkelijke artikel formuleerden de auteurs dat de belangrijkste opdracht van schoolleiders is om de prestaties van leraren te helpen bevorderen, zodat leraren op hun beurt de leerlingen kunnen helpen bij het bevorderen van hun leerprestaties. Schoolleiders zouden zich daarom hoofdzakelijk moeten richten op het versterken van de competenties van leraren en het creëren van de condities waarin zij deze optimaal kunnen inzetten. Op basis van wetenschappelijk onderzoek beschreven de auteurs vier domeinen van leiderschapsprakijken, waarop schoolleiders hun leiderschap zouden moeten richten: het geven van richting aan de onderwijsorganisatie, het stimuleren van de professionele ontwikkeling van anderen binnen de school, het zorgdragen voor een coherente organisatie en het leidinggeven aan het verbeteren van het onderwijsproces. Sindsdien heeft de wetenschap de effectiviteit van deze vier domeinen van leiderschapspraktijken herhaaldelijk aangetoond en zijn de domeinen verder ingevuld met bewezen effectieve praktijken. Hierbij is naast de aandacht voor effectieve leiderschapspraktijken die leerresultaten bevorderen ook steeds meer aandacht voor effectieve leiderschapsprakijken die bijdragen aan het bevorderen van de kansengelijkheid in het onderwijs.

Geen herziening nodig. De stelling is nog altijd valide.

Stelling 2

Stelling 3. Succesvolle schoolleiders zijn responsief naar de context waarin zij functioneren, zonder dat zij zich volledig door deze context laten dicteren.

Leuk zo’n repertoire van effectieve leiderschapspraktijken, maar doet de context er dan niet toe? Is effectief leiderschap niet per definitie situationeel? In het oorspronkelijke artikel stellen de auteurs hierover dat succesvolle schoolleiders openstaan voor de context waarin zij zich begeven. Sindsdien heeft nieuw onderzoek bevestigd hoe belangrijk een bepaalde mate van responsiviteit is. Effectieve schoolleiders lezen de context en reageren gepast op de specifieke uitdagingen die zij in hun school tegenkomen. Of het nou gaat om de gemeenschap waarin de school zich begeeft, de geschiedenis van de school, de overtuigingen van de verschillende werknemers, de faciliteiten van de school (gebouw, personeel, ICT) of de politieke en/of wettelijke context, al deze factoren zijn van invloed op en leiden in sommige gevallen tot beperkingen van de mogelijke acties van schoolleiders. Zo vraagt het ontwikkelen en communiceren van een visie van de school met ouders vanuit een lagere sociaaleconomische klasse andere gedragingen dan op een school met hoogopgeleide ouders. Ondanks alle eindeloze variaties die de context met zich meebrengt, blijft een aantal essentiële leiderschapspraktijken wel degelijk van belang. Om niet gedicteerd te worden door de context, zal een schoolleider de vraag moeten kunnen beantwoorden: Onder deze omstandigheden, wat ga ik doen? Dit vraagt dat een schoolleider de context kan doorzien en alle beschikbare informatie kan vertalen tot het best mogelijke antwoord op de specifieke uitdagingen van de school.

Geen herziening nodig. De stelling is nog altijd valide.

Stelling 3

Stelling 4. Schoolleiders verbeteren het onderwijs indirect en het meest effectief via hun invloed op de motivatie van het team, de competenties van het team en de omstandigheden waarbinnen het team functioneert.

Als schoolleiders dan vooral indirect kunnen sturen op de resultaten van leerlingen, aan welke knoppen kan een schoolleider dan het beste draaien? In het oorspronkelijk artikel wezen de auteurs op het belang van de drie bovenstaande factoren. Het onderzoek naar deze mediërende factoren heeft sindsdien niet stilgestaan en heeft geleid tot een veel preciezere set van mediërende factoren, die direct van invloed zijn op het functioneren van leerlingen en welke op hun beurt weer goed beheersbaar zijn voor schoolleiders. Deze mediërende factoren zijn ingedeeld in vier categorieën: cognitief, affectief, organisatorisch en gezinsgerelateerd (zie tabel 1). Deze vier categorieën vormen een aanzienlijke uitbreiding van de wetenschappelijke inzichten over de indirecte sturingsmogelijkheden van schoolleiders. Daarom hebben de auteurs de stelling herzien.

Mediërende factoren tussen de relatie tussen schoolleiderschap en leerlingresultaten

Herziene stelling: Schoolleiderschap beïnvloedt het onderwijs indirect en via een aantal sleutelfactoren. Effectieve schoolleiders richten zich vooral op het versterken van deze cognitieve, affectieve, organisatorische en gezinsgerelateerde kenmerken van de school.

Stelling 4

Stelling 5. Schoolleiderschap heeft een grotere invloed op scholen en leerlingen als het leiderschap zoveel mogelijk wordt gespreid.

Tot nu toe waren de stellingen vooral gericht op de acties van schoolleiders op een formele leiderschapspositie. Maar wat weten we vanuit de wetenschap over het spreiden van deze leiderschapstaken? Welke gevolgen heeft gespreid leiderschap voor de school en de leerlingen? Ten tijde van het oorspronkelijk artikel stond het wetenschappelijk onderzoek naar gespreid leiderschap nog in de kinderschoenen. Desondanks durfden de auteurs het toen aan om deze stelling te poneren. Sindsdien is er veel nieuw onderzoek gedaan naar gespreid leiderschap. Nog altijd zijn in de literatuur de meningen verdeeld over de toegevoegde waarde van gespreid leiderschap. Echter wordt volgens de auteurs in veel onderzoeken empirisch bewijs gevonden voor de relatie tussen gespreid leiderschap en een aantal specifieke resultaten op leerling- en organisatieniveau. Zo zou het spreiden van leiderschap bijvoorbeeld bijdragen aan het doen slagen van onderwijsvernieuwing. Ook weten we door wetenschappelijk onderzoek steeds meer over gespreid leiderschap en teamontwikkeling, over gespreid leiderschap in samenwerkingsverbanden en over het welzijn van schoolleiders op verschillende verantwoordelijkheidsniveaus. Desondanks voelen de auteurs zich genoodzaakt om de stelligheid in de stelling enigszins te herzien.

Herziene stelling: Schoolleiderschap kan een bijzonder positieve invloed hebben op school- en leerlingprestaties als het leiderschap wordt gespreid.

Stelling 5

Stelling 6. Sommige vormen van gespreid leiderschap zijn effectiever dan anderen.

Gespreid leiderschap kan dus positieve invloed hebben. Maar het spreiden van leiderschap kan op veel verschillende manieren. Dus wat zegt de wetenschap ons over de meest effectieve vorm van gespreid leiderschap? Sinds het oorspronkelijke artikel blijkt uit onderzoek alleen nog maar sterker dat de effectiviteit van gespreid leiderschap bepaald wordt door de manier waarop de verdeling van het leiderschap in de praktijk gebracht wordt en afgestemd is op de specifieke context van de school. Zo blijkt bijvoorbeeld dat gespreid leiderschap kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van leraren bij de organisatie als ingezet wordt op het versterken van de kwaliteit en verdeling van leiderschapstaken, de sociale interacties in de school, de samenwerking in het MT en de totstandkoming van gedeelde besluitvorming. Een bewezen effectieve manier om een begin te maken met het spreiden van leiderschap is door het creëren van projectteams met als verantwoordelijkheid om een specifiek probleem op te lossen. Deze teams dienen samengesteld te worden op basis van de beschikbare expertise en de bestaande verdeling van formele leiderschapsposities en verantwoordelijkheden te doorbreken. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke inzichten concluderen de auteurs dat de effectiviteit van gespreid leiderschap niet zozeer wordt bepaald door de keuze voor bepaalde acties, maar veel meer wordt bepaald door de kwaliteit van de interacties die het oplevert.

Geen herziening nodig. De stelling is nog altijd valide.

Stelling 6

Stelling 7. Een klein aantal persoonlijke eigenschappen verklaren een groot deel van de variatie in leiderschapseffectiviteit.

Maar als een school inzet op gespreid leiderschap, wie is dan wel en wie niet geschikt voor een leiderschapsrol? Kunnen persoonlijke eigenschappen de effectiviteit van een leider verklaren? Deze vraag kent een lange geschiedenis binnen het wetenschappelijk onderzoek naar leiderschap. Decennialang werd deze vraag met nee beantwoord, maar sinds de jaren negentig blijkt uit steeds meer onderzoek dat bepaalde eigenschappen van een leider wel degelijk een voorspellende waarde hebben voor de effectiviteit van zijn of haar leiderschap (zoek maar eens op de Big Five Theorie). Ook al was er nog weinig onderzoek gedaan naar de geldigheid van deze theorie bij schoolleiders, toch vonden de auteurs toentertijd dat er voldoende bewijs was voor deze stelling. Sindsdien is binnen het onderzoek naar schoolleiderschap het concept persoonlijke leiderschapsbronnen opgekomen. Persoonlijke leiderschapsbronnen en persoonlijke eigenschappen zijn niet helemaal hetzelfde. Persoonlijke leiderschapsbronnen zijn breder dan persoonlijke eigenschappen en bestaan naast karaktereigenschappen ook uit de cognitieve en sociale vermogens en kwaliteiten die een leider als bron kan inzetten voor zijn of haar leiderschap. Op basis van onderzoek onderscheiden de auteurs drie categorieën: cognitieve, sociale en psychologische leiderschapsbonnen (zie tabel 2). In wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat deze leiderschapsbronnen een groot deel van de variatie in leiderschapseffectiviteit verklaren. Maar voordat deze leiderschapsbronnen gebruikt kunnen worden bij het evalueren en selecteren van (potentiële) schoolleiders, is nog veel vervolgonderzoek nodig.

Categorieën van leiderschapsbronnen en betreffende leiderschapsbronnen

 

Herziene stelling: Hoewel vervolgonderzoek nodig is, lijken een aantal precies omschreven cognitieve, sociale en psychologische leiderschapsbronnen een groot deel van de variatie in leiderschapspraktijken van schoolleiders te verklaren.

Stelling 7

 

Tot slot

Vroeger werd er nog wel eens geklaagd over het ontbreken aan een eenduidige en samenhangende kennisbasis over succesvol en effectief schoolleiderschap. Met hun oorspronkelijke artikel wilden de auteurs aantonen dat we toen al veel wisten over leiderschap in het onderwijs. Uit de herziene stellingen blijkt dat veel van wat we toen al wisten nog steeds naar voren komt uit onderzoek en dat de wetenschap deze kennisbasis alleen nog maar verder heeft weten te verdiepen. Mochten de auteurs de stellingen over een aantal jaar opnieuw tegen het licht houden, dan hopen zij dat de wetenschap nog meer zicht heeft op hoe schoolleiders handelen in specifieke leiderschapspraktijken, wat deze praktijken precies behelzen en welke impact het handelen van de schoolleider heeft op de resultaten van de school en de leerlingen. Wie weet komt dat er over elf jaar weer van.

Je kunt deze blog Zeven stellingen over succesvol schoolleiderschap herzien ook downloaden als pdf-betand.

Literatuur

De auteurs verwijzen in beide artikelen veelvuldig naar artikelen van andere onderzoekers. Deze bronnen heb ik in deze blog niet opgenomen. Wil je meer weten over bepaalde conclusies of bepaalde conclusies overnemen? Ga dan via deze reviewartikelen op zoek naar de originele bron en verwijs dan altijd naar deze bron. Helaas zit het meest recente artikel voorlopig nog achter een betaalmuur. Via researchgate kan je het artikel wel rechtstreeks bij de auteurs opvragen: link. Het oorspronkelijke artikel is wel vrij toegankelijk: link.

 

Leithwood, K., Harris, A., & Hopkins, D. (2008). Seven strong claims about successful school leadership. School leadership and Management, 28(1), 27-42.

Leithwood, K., Harris, A., & Hopkins, D. (2019). Seven strong claims about successful school leadership revisited. School leadership and Management.

 

 

Ewout van Luijk is opleidingsmanager bij NSO-CNA

Naar onze andere blogs

 

Deel dit bericht

1
Reageer op dit artikel

avatar
1 Comment threads
0 Thread replies
0 Followers
 
Most reacted comment
Hottest comment thread
1 Comment authors
René Brohm Recent comment authors
  Subscribe  
nieuwste oudste meest gestemd
Abonneren op
René Brohm
Gast
René Brohm

Mooie samenvatting en goed gesignaleerd dit zeer relevante artikel voor schoolleiders!