Persoonlijk Leiderschap
start 25 september 2019

“Maak van uw zoon of dochter geen putjesschepper”

Louise Elffers NSO-CNA Inspiratiedag 2019Louise Elffers over de opkomst van het schaduwonderwijs

Louise Elffers is lector Kansrijke Schoolloopbanen in een Diverse Stad aan de Hogeschool van Amsterdam. Én schrijver van De Bijlesgeneratie. Zij nam ons tijdens de NSO-CNA Inspiratiedag mee in de opkomst van het schaduwonderwijs in Nederland.

CITO-trainingen om te voorkomen dat kindlief een vmbo-advies krijgt. Of na schooltijd door naar de huiswerkbegeleiding om het gemiddelde examencijfer op te krikken voor de gewenste vervolgstudie. Allemaal voorbeelden van schaduwonderwijs, of ‘aanvullend onderwijs’ zoals de officiële beleidsnaam luidt.

Het schaduwonderwijs is booming in Nederland. Sinds 1995 zijn de uitgaven hieraan verachtvoudigd. In 2016 gaven we er volgens het CBS 200 miljoen euro aan uit. Maar wat zijn de gevolgen als steeds meer leerlingen leunen op bijles?

‘Pushy parents’?

In de maatschappelijke discussie wordt snel gewezen naar de ouders die hun kind naar bijles sturen. Zo riep Minister van Onderwijs Arie Slob ouders op te stoppen met het ‘omhoog drukken’ van kinderen naar de hoogste schoolniveaus.

Heeft Minister Slob gelijk? Moeten ouders niet eens leren genoegen te nemen met het prestatieniveau van hun kind? Of is hier meer aan de hand?

Wat zegt de opkomst van schaduwonderwijs bijvoorbeeld over het huidige onderwijssysteem? Of over onze maatschappij als geheel? En biedt het aanvullende onderwijs niet ook juist kansen tot samenwerking? Of om tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar maatwerk in het onderwijs?

De antwoorden van Louise op bovenstaande vragen laten zien dat het zeker niet eenzijdig aan ‘pushy parents’ toe te schrijven is. Het wijst op een breder maatschappelijk probleem rond kansenongelijkheid.

Hoger onderwijs loont

Ook voormalig Minister van Onderwijs Jet Bussemaker deed in haar tijd een duit in het zakje: “Wat mij stoort is dat iedereen altijd maar ‘hogerop’ wil.” Een opmerkelijke uitspraak, liet Louise ons inzien. Want is het niet diezelfde overheid die onder het mom van de kenniseconomie het opleidingsniveau in Nederland wil verhogen?

Dit verhogen van het opleidingsniveau is overigens een groot succes. Waar in 1960 nog maar 5% van de Nederlanders hoger opgeleid was, heeft in 2020 minimaal 40% hoger onderwijs genoten. In steden als Amsterdam en Utrecht ligt dit percentage al boven de 50%.

Daarnaast blijkt het volgen van hoger onderwijs nog altijd te lonen. Iemand met een universitaire opleiding verdient al snel het dubbele van iemand met een mbo-opleiding. Het gevolg is dat er een groeiende kloof ontstaat tussen lager en hoger opgeleiden in Nederland.

De politiek roept ouders dus op hun kinderen niet te ‘pushen’. Maar als het opleidingsniveau steeds meer de nieuwe scheidslijn in de samenleving wordt, kan je ouders dan verwijten dat zij het beste (lees het hoogste) voor hun kind willen?

Vmbo-vermijdingscircus

Je kunt echt spreken over een ‘angst voor het vmbo’. En in reclame-uitingen laten organisaties geen kans onbenut om daarop in te spelen: “Maak van uw zoon of dochter geen putjesschepper.”

Hoe terecht is die angst? Als dochterlief een vmbo-advies krijgt, zijn haar kansen dan écht verkeken? Helaas blijkt uit onderzoek van de Onderwijsinspectie dat de padafhankelijkheid in het onderwijs niet moet worden onderschat. Sterker nog: deze neemt toe.

Er is weinig opstroom in het onderwijs. Leerlingen die starten op het vmbo, eindigen ook vrijwel allemaal in het vmbo. Steeds meer scholen schaffen de brede brugklas af. En sluiten de mogelijkheden om op te stromen naar de havo af.

Ook tussen de generaties blijkt sprake van padafhankelijkheid: het opleidingsniveau van de ouders blijkt de belangrijkste bepalende factor te zijn voor het schooladvies van hun kinderen.

En dat terwijl uit onderzoek blijkt dat de cognitieve verschillen tussen leerlingen uit de verschillende onderwijsniveaus veel kleiner te zijn dan men denkt. Zo scoort de beste vmbo-basisleerling beter in leesvaardigheid dan de slechtste vwo-leerling.

Dus: het schooladvies aan het einde van de basisschool is enorm bepalend. Zowel voor het verloop van de onderwijscarrière én de kansen in en het leven daarna. Is het dan echt zo verbazingwekkend dat de vmbo-vermijdingscursussen als paddenstoelen uit de grond schieten?

Schaduwonderwijs: passend onderwijs dat wél werkt

DLouise Elffers NSO-CNA Inspiratiedag 2019 Gelijke kansen in het onderwijse opkomst van schaduwonderwijs roept ook vragen op over de rol van de school. Want wat zegt het groeiende gebruik van bijlessen over het functioneren van het publiek bekostigd onderwijs?

Moet een school niet in staat zijn om de potentie van elke leerling tot uiting te laten komen? En daarmee de ongelijke verdeling van kansen beperken?

De maatschappelijke discussie over het lerarentekort laat echter zien dat de huidige budgetten en mankracht in het onderwijs onder druk staan. En dat de kwaliteit van het onderwijs daarmee in gevaar komt. Betekent dit dat de houdbaarheidsdatum van het huidige onderwijssysteem bereikt is?

Het aanbod in aanvullend onderwijs lijkt in ieder geval te voorzien in een behoefte. Ook steeds meer scholen maken er gebruik van. Op menig open dag vind je tegenwoordig flyers en kraampjes van aanbieders van bijles en examentrainingen.

Scholen geven deze aanbieders alle ruimte. Want zij merken dat hun schoolresultaten hierdoor verhogen. En tegelijkertijd leraren ontlasten in de ondersteuning van de “zwakkere” leerling. Bovendien beginnen ouders te verwachten dat de school hen hierin faciliteert.

Ook leerlingen geven aan dat zij het fijn vinden om na schooltijd hun huiswerk te maken bij een huiswerkbegeleider. Ze vinden daar een veilige en rustige plek, weg van alle prikkels thuis en op school.

Het aanvullend onderwijs lijkt hiermee tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar maatwerk in het onderwijs. Je zou zelfs kunnen stellen dat het een vorm van passend onderwijs is geworden die wél werkt.

Druk van de ketel

Zo liet Louise Elffers ons mooi zien hoe een breed maatschappelijk systeem leidde tot de opkomst van het schaduwonderwijs. Niet alleen ‘pushy parents’ of een falend onderwijssysteem zijn hier debet aan. Maar een bredere maatschappelijke ontwikkeling waarbij opleidingsniveau steeds meer de kansen van een leerling bepaalt.

Uiteraard is het aan het onderwijs om aandacht te houden voor de systeemkenmerken die de kansenongelijkheid in stand houden of zelfs versterken. Scholen en daarmee schoolleiders kunnen meer doen om kansenongelijkheid tegen te gaan. Echter moeten we oppassen dat we niet te kort door de bocht gaan. En via de politiek een brede maatschappelijke dialoog blijven voeren over hoe we de druk van de ketel kunnen krijgen in ons systeem.

 

Verslag door Ewout van Luijk