Persoonlijk Leiderschap
start 25 september 2019

Interview met Monique Volman:

“Het belangrijkste voor een schoolleider? Een visie”

Monique VolmanMonique Volman is hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is ze lid van de Onderwijsraad, die de regering adviseert over onderwijsbeleid en -wetgeving.

In 2018 presenteerde de Onderwijsraad een rapport over (de rol van) schoolleiders. Kort samengevat: schoolleiders zijn van groot belang voor de onderwijskwaliteit. En zouden daarom door onderwijsorganisaties meer gelegenheid moeten krijgen om zich te professionaliseren. Zodat zij beter in staat zijn om strategisch te denken en handelen.

Wij spraken haar over de toenemende complexiteit van het onderwijs – ook in het licht van de coronacrisis – en wat dat betekent voor de schoolleider van nu.

Waar houd jij je als hoogleraar Onderwijskunde mee bezig?

“Mijn belangrijkste onderzoekthema is betekenisvol onderwijs. Daarmee bedoel ik onderwijs dat aansluit bij de belevingswereld en ontwikkeling van leerlingen, en hen nieuwe kennis en vaardigheden aanreikt om de wereld beter te begrijpen en hun handelingsmogelijkheden te vergroten.

Als onderwijskundige vind ik het belangrijk om altijd het micro-, meso- en macroniveau van het onderwijs met elkaar te verbinden. Je begrijpt pas wat er in de klas (micro) gebeurt, als je het kan zien in de context van de schoolorganisatie (meso). En die wordt weer beïnvloed door het onderwijssysteem en het beleid (macro). En omgekeerd: je kunt alleen maar goed beleid maken als je begrijpt wat er in de klas gebeurt.

Tot slot ben ik als afdelingsvoorzitter op de UvA zelf ook een soort schoolleider. Daardoor weet ik wat er allemaal op schoolleiders afkomt, en dat er veel van ze gevraagd wordt.”

Daarnaast zit je dus in de Onderwijsraad. Het is een understatement om te zeggen dat onderwijs deel van je leven is. Waar komt die interesse vandaan?

“Mijn ouders waren beiden docent Frans. En mijn vader later ook schoolleider. Eerst op een middelbare school in ’t Gooi. Hij was daar samen met 2 vrienden conrector. Toen de rector wegging, besloten ze: er komt geen nieuwe, we gaan het met z’n 3-en doen. Dat was voor die tijd best opzienbarend. Later werd hij in zijn eentje rector van een school in Helmond.

Dit was in de jaren ’60 en ’70. Toen hadden schoolleiders nog een heel andere rol. Je was toch vooral een veredelde bovenmeester, in mijn beleving. Zo herinner ik me dat mijn vader vaak in het weekend naar school moest omdat er een brandje gesticht was, bijvoorbeeld. Of dat hij met ouders moest praten omdat er een leerling was weggelopen met een vrachtwagenchauffeur. Of er waren collega’s die het niet goed met elkaar konden vinden. Dat soort dingen gingen bij ons over tafel.

Zoals ik het nu zie, was mijn vader als schoolleider vooral bezig met de randvoorwaarden, en minder met onderwijskundige vragen en de kwaliteit van onderwijs, zoals schoolleiders nu. Terwijl mijn ouders daar als docent juist wél mee bezig waren.”

En wat is dan nu – in jouw ogen – de rol van een schoolleider?

“Primair is natuurlijk het onderwijskundige: schoolleiders hebben de maatschappelijke taak om te zorgen dat de school goed onderwijs levert voor de leerlingen.

Dat betekent dat ze van veel markten thuis moeten zijn. Op allerlei vlakken komt er veel op ze af: onderwijsvernieuwing, HRM, de ontwikkeling van medewerkers, de begroting…

In het advies uit 2018, waar ik overigens zelf niet aan heb meegewerkt, pleit de Onderwijsraad voor strategisch denken en handelen. Maar als ik eerlijk ben: dat vind ik zelf ook het moeilijkste aan mijn rol. Want je werkt binnen bestaande kaders waar je niet altijd invloed op hebt en soms enorm van baalt. Terwijl je anderen wel moet motiveren om ook binnen die kaders hun werk te doen.”

Is het dan wel reëel om van schoolleiders te verwachten dat ze zich bezig houden met zaken op de lange termijn, zoals onderwijsvernieuwing?

“Ik denk dat het mogelijk is. Schoolleiders werken binnen het systeem, dus zien ze ook waar het niet goed werkt. Spreek je daarover uit! Benoem wat niet goed gaat. En zoek naar wegen om invloed te hebben, want die zijn er wél.

Daarbij moeten schoolleiders ervoor waken dat ze te veel op hun bordje nemen. Want er is een berg aan aanbod, inspiratie, inzichten… Je kúnt niet alles meenemen in je beleid, en óók nog eens koers houden in je organisatie.

Ik merk het ook in de onderzoeken die ik zelf doe en begeleid. Overal popt de schoolleider op. Onderzoeksmatig werken op scholen? Daar moet de schoolleider iets mee! Identiteitsontwikkeling van leerlingen? Taak voor de schoolleider! Kansenongelijkheid? Schoolleider!

Daarom is het zo belangrijk om een visie te hebben. Een visie waar de hele organisatie zich in kan vinden : zó gaan we het doen. Alleen dan kun je je team beschermen tegen alles wat er op ze afkomt. Alleen dan kun je alles goed afwegen: past dit binnen onze visie? Zo niet, dan laten we het links liggen.

Een van de onderwerpen waar ik veel onderzoek naar heb gedaan is een onderzoekende houding in het onderwijs. Maar denkt een schoolleider ‘Sorry, Volman, daar zijn we even niet mee bezig, we hebben een andere focus’? Prima!”

Houd je door al die verschillende visies niet veel te veel onderwijssystemen in stand? En is er dan wel genoeg vernieuwing?

“Onderwijsvernieuwing vind ik in principe prachtig. Ik ben een fan van Agora-achtig onderwijs, bijvoorbeeld. Het is mooi en spannend wat daar gebeurt. Tegelijkertijd vind ik niet dat alle scholen zo zouden moeten gaan werken.

Door mijn deelname aan de Onderwijsraad ben ik juist de veelvormigheid van ons onderwijs gaan waarderen. In Nederland heb je allerlei leerlingen, ouders, leraren, etc. met verschillende ideeën over wat ‘goed’ onderwijs is. Die variëteit is ook heel mooi, en zorgt ervoor dat er voor iedereen wel een vorm is die bij hem/haar past.”

Oemar Kerpens Ir Lely Lyceum

Op dit moment staan schoolleiders voor een enorme uitdaging: onderwijs in coronatijd. Hoe kijk jij tegen deze periode aan?

“De uitdaging waar schoolleiders nu voor staan, is veelzijdig. Enerzijds zijn er alle praktische zaken die geregeld moeten worden: de 1,5-meter, welke leerlingen laat je naar school komen en welke niet, online lesgeven.

Anderzijds legt corona pijnlijk de zwakke plekken van ons onderwijssysteem bloot: de kansenongelijkheid, de enorme druk op de overgang van PO naar VO – om er maar een paar te noemen.

En schoolleiders moeten iets met de achterstanden die ontstaan. Tegelijkertijd heb ik moeite met de nadruk daarop, vooral als dat gaat in termen van ‘een verloren generatie’, ‘littekens die ze altijd met zich mee zullen dragen’. We moeten ophouden met jongeren zo de put in te praten. De ontwikkeling van kinderen is een continu proces. Maar nu hoor je: ‘O, groep 8! Wat moeten we met groep 8!’, alsof  het daar voor leerlingen eindigt. Terwijl ik denk: loopt het leerproces van kinderen in groep 3 niet veel meer schade op?

Sowieso, juist nu moeten we als onderwijs naast leerlingen gaan staan en zeggen: we gaan dit samen met jullie oplossen. En als dat dit jaar niet lukt, dan volgend jaar.”

Er ligt dus eigenlijk te veel nadruk op het programma…

“Er is niks  mis met een programma. En er is nu natuurlijk wel degelijk een probleem. Het maakt wel degelijk uit of kinderen naar school gaan of niet. Met name voor de kwetsbare groep leerlingen. Ook dat is duidelijk geworden tijdens deze crisis.

En als een deel van het programma essentieel is voor volgende stappen in het leerproces van leerlingen, kunnen zij er last van houden als ze die gemist hebben. Maar ook dan is zo’n leerling niet per definitie ‘verloren’. Het wordt de verantwoordelijkheid voor de volgende leraar of de volgende school om  dat dat op te merken en er rekening mee te houden.

We zijn dus voorlopig niet klaar met deze crisis. Het zal nog heel lang van belang zijn om op deze leerlingen te letten. Daar dragen we allemaal de verantwoordelijkheid voor: docenten, ouders, schoolleiders en onderzoekers.”

Hoe zie jij de rol van schoolleiders in en ná coronatijd?

“Die rol is net zo veelzijdig als de uitdagingen waar ze voor staan. Maar in alle gevallen is rust brengen en zorgen voor houvast heel belangrijk.

Daarnaast hangt de rol van de schoolleider af van de onderwijssector. Zo ligt de nadruk in het basisonderwijs op het team zo goed mogelijk ondersteunen om contact te houden met kinderen en ouders, om te voorkomen dat kwetsbare kinderen kwijtraken.

Schoolleiders zouden nu ook al moeten nadenken over de toekomst van leerlingen die nu wellicht achterstanden oplopen. Over hoe daar in de toekomst oog voor kan zijn en hoe leerlingen daarbij geholpen kunnen worden.”

Net noemde je de nadruk op de overgang van PO naar VO als zwak punt. Wat bedoelde je daarmee?

“Er wordt nu vaak gezegd dat we vanwege corona kinderen kansrijk moeten adviseren. Oftewel: dat ze bij twijfel het hoogste advies krijgen, om ze langer de kans te geven om te laten zien wat ze kunnen.

Maar ik hoor ook dat VO-schoolleiders daarover zeggen: ‘Straks stroomt van die kansrijk doorgestroomde leerlingen een groot deel af naar een lager niveau en worden wij daar door de Inspectie op afgerekend.’

Dat is een ongewenst neveneffect van hoe wij ons toezicht op het onderwijs hebben ingericht. Met de beste bedoelingen, overigens. Want het doel ervan is en blijft respectabel: goed onderwijs voor leerlingen. En deels slaagt het systeem daarin. Maar het levert ook dit soort situaties op.”

Marnix Dammann Regius College Veerkracht

Hoe vind je dat het onderwijs over het algemeen omgaat met de coronacrisis?

“Ik heb bewondering voor de veerkracht die ik overal om me heen zie. Er is ontzettend veel geleerd, geëxperimenteerd en op poten gezet in heel korte tijd.

Zelf kan ik nog weleens droevig worden van al die digitale ontmoetingen. De meeste vergaderingen zijn heel gestructureerd geworden, een Zoom-blok van 4×4 gezichten, waarbij iedereen een beurt krijgt. Ik mis de interactie, de rollende ogen, de grapjes en de schoppen onder tafel…

Des te mooier vind ik het om te zien dat onze docenten tégen de verdrukking in doorgaan. We hebben zelf een enquête gehouden onder UvA-docenten waaruit bleek dat ze hun onderwijs gemiddeld een 7 geven in deze tijd. Een opvallend hoog cijfer!”

In het adviesrapport uit 2018, en recenter in een brief van minister Slob, werden schoolleiders opgeroepen om vaker een masteropleiding te doen. Bij NSO-CNA merken we juist dat zij minder snel voor een master kiezen. Kun jij dat verklaren?

“Ja, ergens wel. Een master vraagt immers veel tijd en energie. Náást een baan die al heel pittig is.

Aan de andere kant zie ik ook dat – eenmaal afgerond – schoolleiders veel aan een master hebben. Het helpt hen een onderzoekende houding te ontwikkelen en meer strategisch te gaan denken en handelen. En het helpt om  die visie te ontwikkelen die zo belangrijk is om hun school richting te geven.

Dus wat dat betreft sta ik nog steeds vierkant achter het advies van de Onderwijsraad. Directies en schoolbesturen zouden hun schoolleiders zo veel mogelijk moeten faciliteren om een masteropleiding te doen, in het belang van de school.

Wat helpt: praktijkgerichte masteropleidingen waarbij studenten tijdens hun studie vraagstukken aanpakken waar hun school direct iets aan heeft. Dan kunnen ze werk en studeren beter combineren.”