Persoonlijk Leiderschap
start 25 september 2019

NSO-CNA’s oudstgediende zwaait af

Angélique Bongers blikt terug op haar carrière

In juni stopt Angélique Bongers bij onze Leiderschapsacademie, na een werkrelatie van 26 jaar. Niemand is op dit moment langer aan ons verbonden dan zij. Dat maakt haar de persoon bij uitstek om bij ons 30-jarige jubileum terug te kijken: op de ontwikkeling van NSO-CNA in het algemeen, en die van haarzelf in het bijzonder.

Hoe ben je begonnen bij de organisatie?

“Als leergroepbegeleider bij NSO. De Master duurde 2 jaar en er waren elk jaar 2 leergroepen, waarvan ik er 1 begeleidde. Met mijn eerste groep heb ik veel colleges bijgewoond. Zo kreeg ik goed zicht op wat de studenten leerden en het was natuurlijk bijzonder om bij iemand als Ernst Marx aan te schuiven.

We waren destijds heel vernieuwend: de NSO had de eerste opleiding voor schoolleiders uit het VO en MBO in Nederland. En dat is lange tijd zo gebleven. De oprichters Fons van Wieringen en Peter Karstanje hadden de noodzaak van een opleiding voor schoolleiders goed ingeschat.

Pioniers waren we ook in onze visie op de opleiding: een mix van onderwijskundig leiderschap, persoonlijk leiderschap en dichtbij de kennis uit de wetenschap.

Nadruk op persoonlijk leiderschap was 20-30 jaar geleden ook allesbehalve gebruikelijk: reflecteren op jezelf, omgaan met conflicten, dat soort thema’s. We hebben veel zelf uitgevonden en dat was zowel inspirerend als verbindend.

De opleidingen zijn in 30 jaar tijd enorm ontwikkeld, maar die mix van praktijk en wetenschap is steeds het uitgangspunt geweest. Dat maakt ons zo sterk. Uiteraard blijft dat ook een worsteling. Want de praktijk en wetenschap verstaan elkaar niet altijd. Maar er zijn hele grote stappen in gemaakt.”

Ben je altijd leergroepbegeleider gebleven?

Nee. Later ben ik ook maatwerktrajecten gaan opzetten, maar niet in m’n eentje natuurlijk. Ook dat was pionieren: onze opleidingen binnen organisaties verzorgen.

Een van de organisaties waar we dat voor deden, was het opleidingscentrum van de Marechaussee. Ik weet nog dat ik daar voor het eerst rondliep. Toen vroeg ik na een dag kennismaken: ‘Waar zijn alle macho’s?’ Ze vertelden me dat die er juist níet waren daar. En dat klopte: nergens vond ik de sfeer zo hartelijk als daar. En dat gold ook voor mijn collega’s, we gingen graag naar de kazerne.

Elke keer als ik een groep afsloot, zeiden ze: ‘Ok, nu ga je iets doen wat bij óns hoort.’ Zo lag ik eens op de grond met een schietapparaat in m’n handen. Een andere keer bezocht ik bolletjesslikkers op Schiphol. Ik heb aan die organisatie – en aan vele andere – heel veel mooie herinneringen.

Waren er ook lastige tijden voor je?

“Ja, toen we bezig waren de master grondig te vernieuwen. De opleiding was echt toe aan vernieuwing en daar hoorden ook het binnenhalen van nieuwe mensen bij. Door mijn binding met het verleden en de collega’s die me dierbaar waren wilde ik niet zomaar afscheid nemen van het goede dat er was. Maar de vernieuwing was nodig. Dat was de enige periode waarin ik me alleen voelde bij de organisatie, een brug tussen oud en nieuw.

Uiteindelijk zijn we er wel goed uitgekomen. Wat overbleef was een goede mix van nieuwe en ‘oude’ medewerkers. En de mensen van de nieuwe lichting zijn me ook dierbaar geworden.”

Hoe heb je de fusie van NSO en CNA beleefd?

“Die fusie was alles behalve vanzelfsprekend! Want de organisaties waren tot dat punt ook concurrenten geweest. En de relatie tussen de leidinggevenden van beide partijen was ook vaak niet goed.

Toch is de fusie wonderbaarlijk goed gegaan. Mede door grote inspanning van onze huidige directeur, Bart Schipmölder. Ook dat is mooi aan de geschiedenis van NSO-CNA: iedere leidinggevende heeft op zijn of haar eigen manier gedaan, en op zijn of haar eigen manier een bijdrage geleverd.”

Met welk gevoel kijk je terug op je tijd bij NSO-CNA?

“Een heel warm gevoel. Het was en is nog steeds een fantastische club om bij te horen. Een familie, een leergemeenschap waarin ik mij de afgelopen 26 jaar heb kunnen en mogen ontwikkelen. Iedere keer als ik binnenkom denk ik: ‘Wat is het toch fijn om hier te zijn.’

Het bijzondere is dat ik altijd als ZZP’er verbonden ben geweest. Nooit in loondienst. Dat geldt natuurlijk voor veel medewerkers van NSO-CNA. En tóch voel ik die verbondenheid – en ik ben absoluut niet de enige die dat voelt.

Die verbondenheid merkte ik vooral aan de extra inzet voor elkaar. Het kwam vaak genoeg voor dat collega’s in de zomervakantie scripties nakeken. Heel zorgvuldig, zodat studenten er echt wat aan hadden. Terwijl ze die extra uren niet altijd konden declareren. Die mentaliteit kenmerkt de sfeer bij de organisatie.

Waar dat familiegevoel vandaan komt? Bij het geloof dat iedereen in het werk heeft: mensen opleiden tot goede schoolleiders, geloof in leren en ontwikkelen. En op die manier de kwaliteit van het onderwijs in Nederland verhogen. De NSO voelt natuurlijk ook als een familie door het soort mensen dat er rondloopt: deskundig én met het hart op de juiste plaats!”

“Haha! Als ik aan het werk ben, denk ik inderdaad: ‘Waarom stop ik?’ Ik vind dit heel erg leuk, elke keer weer opnieuw. Maar tegelijkertijd voel ik dat het gewoon klaar is. Uit eigen beweging ben ik steeds meer naar de rand van de organisatie opgeschoven – ik dóe al niet zoveel meer, behalve in een enkele module doceren. Dit is het juiste moment om afscheid te nemen. En ik ben natuurlijk altijd te porren voor een klein klusje hier of daar, de deur op een kiertje…

Mijn afscheid heeft ook te maken met een keuze: de laatste 7 jaar werk ik ook bij de Huisartsopleiding van de VU. Dat doe ik nog 2,5 jaar: ik ga daar nog leidinggeven aan het domein innovatie en scholing. Daar wil ik me volledig op concentreren.

Daarna ga ik met pensioen. Een huis in Frankrijk kopen. Daar 6 maanden per jaar wonen… Ik ben zelfs al bezig met Franse les. Of ik dan tóch nog iets ga doen? Dat zie ik dan wel.

Of ik NSO-CNA ga missen? Ook dat weet ik nog niet. Maar ik houd sowieso nog wel contact met een aantal mensen van de organisatie. Zoals ik nu ook nog steeds contact heb met oudgedienden die al langere tijd weg zijn.”