Persoonlijk Leiderschap
start 25 september 2019

Inleiding Paneldebat Jubileumcongres

Bart Schipmölder, 9 januari 2019

Bart Schipmölder

Het debat tijdens ons Jubileumcongres op 16 januari gaat over leidinggeven aan onderwijsvernieuwing: wat speelt er rond dit thema? Wat is de relevantie van onderwijsvernieuwing en welk probleem proberen we ook alweer op te lossen? Wat maakt dat vernieuwing wel of niet tot stand komt? En wat vraagt dit van leidinggevenden in het onderwijs om daar goed leiding aan te geven?

Het debat over onderwijsvernieuwing

Op veel plaatsen, hieronder een impressie van Twitter, wordt stevig gedebatteerd over de toekomst van het onderwijs. In het najaar was daar bijvoorbeeld het boek van Ton van Haperen en zijn interview in de Volkskrant waarin hij voorstelt het onderwijs af te breken en het opnieuw op te bouwen. En een reactie daarop van Johan Veenstra: ‘onderwijs verbetert juist door eigenheid’. Het boek van van Haperen werd door velen omarmd, en door velen ook met weerzin en verdriet ontvangen. Waar hij volgens mij wel een punt heeft in een vrije vertaling mijnerzijds is dat geen school voor de eeuwigheid gebouwd is.

Het debat over Onderwijsvernieuwing
Paul Kirschner laat regelmatig op twitter en elders van zich horen in een pleidooi voor directe instructie en nadruk op het belang van het leren van kennis. Hij zet zich af tegen nieuwigheden zoals bijvoorbeeld de ’21st century skills’. Tegenover deze kritische geluiden staan veel mensen die ervan overtuigd zijn dat het onderwijs moet vernieuwen en de huidige opzet stamt uit het industrieel tijdperk en achterhaald is, niet meer past in deze tijd en bij de leerlingen van vandaag. Er zijn inmiddels ook wel geslaagde vormen van onderwijsvernieuwing zoals bij Nikee in Roermond, het Vathorst College in Amersfoort of het op het Hyperion in Amsterdam. Deze zijn echter nog vers, jong en kwetsbaar. Ze hebben nog kinderziektes en kunnen nog aan stevigheid winnen. Spannend is echter of de energie die de vernieuwing ook in het team brengt, behouden blijft als het concept volgroeid is.

Over welk probleem hebben we het?

Jelmer Evers schrijft in een artikel in Intermediair dat onderwijsprogramma’s slecht aansluiten op de behoeften van de toekomst. Hij ziet vooral korte termijn denken en maakt zich zorgen. En ook de onderwijsinspectie gaf in haar Staat van het Onderwijs aan dat ze zich zorgen maakt. Deze zorg over de staat lijkt bij veel betrokkenen te leven, maar verschilt sterk in de achterliggende analyses en de oplossingsrichtingen die vervolgens worden gepresenteerd. Wat mij opvalt is de pittige en vaak cynische toon in het debat, een onduidelijke probleemdefinitie, veel thema’s van verschillende orde die door elkaar lopen, eenvoudige oplossingen voor complexe vraagstukken en andersom, problemen die aan oplossingen worden gekoppeld die niets met elkaar te maken hebben en veel hartstocht in het debat bij betrokkenen. Volgens mij is het belangrijk dat we in het debat duidelijker worden over welk vraagstuk we het hebben, welk probleem we willen oplossen en minder generaliseren, maar meer kijken naar de concrete situatie. En we weer wat speelruimte scheppen waarin ‘gecontroleerd geprobeerd’ kan worden. En laten we vooral onze ogen niet sluiten voor de veranderingen die al lang gaande zijn en waar het onderwijs op heeft aan te sluiten. Het is bedrijven als Nokia, Wordperfect en Kodak fataal geworden.

Zien we de goede voorbeelden wel?

En dan nog dit. In een reactie op dit nieuwe filmpje gemaakt door leerlingen schreef Math van Loo (docent NSO-CNA): ‘Maar wat me langzamerhand wel bezighoudt: hoe komt het toch dat ik elke dag scholen zie waar het tegenovergestelde gedaan wordt van wat we hier opnieuw voorgeschoteld krijgen? Waarom hebben we daarvoor zo weinig systematische aandacht? Waar leerlingen effectief bevraagd worden op hun leerervaringen en waar leraren daarmee serieus belangrijke stappen zetten? Ik raak eigenlijk wel een beetje vermoeid van dit type verhalen, niet gebaseerd op feiten en belangrijke ontwikkelingen. Feit is dat er verschillen tussen goede en slechte scholen zijn en feit is dat die verschillen nogal parallel lopen met maatschappelijke segregatieproblemen.

Feit is dat scholen nog steeds innovaties doordrukken zonder behoorlijk onderzoek naar de huidige situatie en wat daarin ontbreekt. En ik zie een overdreven focus op leiderschap en te weinig aandacht voor leraren en op wat schoolleiders daarin kunnen betekenen. Ik vind dat we als NSO-CNA daarin meer kunnen betekenen. Misschien maken we er een goede start mee tijdens het jubileumcongres?’ (Math van Loo, oktober 2018)

Leiding geven aan onderwijsvernieuwing

NSO-CNA heeft niet voorkeur voor één visie op de inhoud en richting van het onderwijs. Wel leiden wij schoolleiders op zodat ze de weg leren vinden in dit debat en daarin, samen met hun docententeam, een eigen visie op leren formuleren en een visie op de inrichting van het onderwijs en organisatie in de eigen instelling. En dat is geen makkelijke opgave voor schoolleiders. Je doet het al snel niet goed, en als er iets misgaat heeft iedereen er wel een mening over. Naast 10 miljoen bondscoaches hebben we ook 10 miljoen onderwijsadviseurs en ervaringsdeskundigen in dit land.

Wat is waar? Hoe kom je tot die visie op leren, en misschien nog belangrijker: wat vraagt het om er op te focussen? Is er nog speelruimte om te ontdekken? Hoe maak je gebruik van bestaand onderzoek? Hoe neem je je team mee en werk je aan kwaliteit? Hoe en waar zet je je team in de lead waartoe Math oproept? Allemaal vragen waar een schoolleider mee te maken heeft. Hoe doe je dat en wat vraagt dat van de schoolleider? Deze vragen vormen het startpunt van het debat op 16 januari.

Panelleden

Het debat op 16 januari doen we in twee rondes met mensen uit de praktijk, wetenschap en beleid. Kim Coppes, onze dagvoorzitter, zal het debat leiden. Hieronder stellen we de deelnemers kort voor.

Ronde 1:

NSO-CNA Alexander Rinnooy KanAlle van Steenis : bestuurder Montessori VO Amsterdam, gedreven bestuurder die het belang van leiderschapsontwikkeling voor schoolontwikkeling onderkend. Hard bezig om het Montessorionderwijs in Amsterdam te vernieuwen (organisatie en onderwijsvisie).

Hartger Wassink: schrijft veel over onderwijs en leiderschap. Schreef recent een inspirerende boekje ‘Zijn als leider’ over persoonlijk leiderschap. Hij werkt als adviseur en onderzoeker in het onderwijs. Zijn drijfveer is om leidinggevenden inspiratie en voldoening te laten ervaren in hun werk, en rolmodellen te laten zijn in het aangaan van de professionele dialoog.

Leezan van Wijk: directeur van het schoolleidersregister VO en schoolleider. Zij is alumnus van onze Master Integraal Leiderschap. Zij is in haar rol als directeur hard bezig om de beroepsgroep van schoolleiders VO vanuit zichzelf zich te laten organiseren. Daarin zoekt ze naar een weg om mensen te verbinden, te komen tot een beroepsbeeld van de schoolleider en manieren om schoolleiders te ondersteunen in hun professie.

 

Ronde 2 :

Eva Naaijkens is oprichter en directeur van de Alan Turingschool. Eva is 20 jaar werkzaam in het onderwijs als leraar en als schoolleider. Zij meent samen met leraar van het jaar 2011 Martin Bootsma, een praktische oplossing te hebben voor de hoge werkdruk in het onderwijs. Zij ontwikkelden Enigma, een aanpak om de kwaliteit van het onderwijs in hun school te borgen en te verbeteren. ‘Deze aanpak is voor elke basisschool geschikt.’ Hierover schreven ze een boek dat dit najaar verscheen: ‘Laten we weer gewoon gaan lesgeven.’ Lees hier een artikel uit Intermediair over hun boek en aanpak.

Robert-Jan Simons emeritus hoogleraar Onderwijskunde en met name gericht op het leren van mensen. Prof. Dr. P. Robert-Jan Simons is al heel zijn leven bezig met het thema “leren”. Eerst richtte hij zich op het leren van middelbare scholieren, daarna op het leren op de werkplek door medewerkers en professionals. De laatste jaren waren dit vaak ook leerkrachten en schoolleiders. Steeds probeert hij mensen een breder begrip van leren te laten krijgen door ze te inspireren en in de war te brengen. Leren is immers ook impliciet leren en zelf-gereguleerd leren. Leren is ook team-leren en organisatie-leren. Hij is van 2010-2014 directeur van NSO geweest. Hij is op dit moment o.a. betrokken als adviseur bij de ontwikkeling van een nieuw curriculum voor het VO.

Alexander Rinnooy Kan is oud voorzitter van de SER, en nu o.a. senator voor D66 in de eerste kamer en hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij deed in opdracht van OCW recent een procesvoorstel voor het versterken professionele ontwikkeling leraren: Klik hier. En in dit interview uit 2014 spreekt hij zich uit over onderwijsvernieuwing.
In 2015 verzorgde hij de Kohnstammlezing en concludeerde dat hij ‘dat het naar omstandigheden verrassend goed gaat met het onderwijs in Nederland. Daarin verschuilt zich de inschatting dat nog wel beter had kunnen zijn dan het is.’ Klik hier.

Deel dit bericht

Hoe vitaal is jouw school?

Charles Engelen, 7 februari 2020

Het gaat er hier niet om of de school levendig is, dat zal vast wel. Ook niet of er fruit en zo te koop is, in plaats van zoetigheid en vettigheid? Dat is wel gezond natuurlijk, maar daar gaat het begrip vitaal niet over. In het systeemdenken – en wie doet dat niet tegenwoordig – gaat vitaliteit van een school over hoe ze in staat is voortdurend balans te houden met de veranderende buitenwereld. Dus of je school voldoende aanpassingsvermogen heeft. Of zoals het tegenwoordig ook wel heet: of de school wendbaar is, of zelfs agile. Lees verder ›

Deel dit bericht

Prof. dr. Fons van Wieringen (1946-2017)

Bart Schipmölder, 19 september 2017

Postuum

Tot ons verdriet is emeritus prof. dr. A. M. L. van Wieringen afgelopen weekend overleden.

Ons bereikte het droevige bericht dat medeoprichter van NSO, prof. dr. A.M.L. van Wieringen, is overleden. Wij zijn hem dankbaar voor het fundament dat hij heeft gelegd voor ons instituut.

Fons van Wieringen was Hoogleraar Onderwijskunde in het bijzonder beleid, bestuur en beheer bij de Universiteit van Amsterdam van 1985 tot 2010. Vanuit deze hoedanigheid richtte hij samen met dr. Peter Karstanje in 1989 Stichting de Nederlandse School voor Onderwijsmanagement in 1989 op; ze waren samen directeur van NSO van 1989-2000.

Fons van Wieringen was tevens directeur en oprichter van het Max Goote Kenniscentrum voor Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie (MGK). Hij continueerde zijn loopbaan als voorzitter van de Onderwijsraad van 2001-2011.

Met zijn grote staat van dienst heeft Fons van Wieringen een onuitwisbare bijdrage geleverd aan de kennisbasis en praktijk van onderwijsbeleid, onderwijsorganisatie, schoolmanagement in Nederland. Zijn bescheiden en vriendelijke karakter, zijn visies maar ook zijn voorliefde voor geschiedenis maakte hem bovendien een zeer geliefd en gewaardeerd collega van velen.

We eren hoeveel Fons van Wieringen heeft betekend voor NSO met de weergave van de inleidende woorden die hij op 30 september 2016 sprak bij de opening van de nieuwe locatie en tevens markering van de fusie van NSO-CNA Leiderschapsacademie.

Korte inleiding bij de opening van het Onderwijscentrum van NSO-CNA Leiderschapsacademie  

30 september 2016

door: Fons van Wieringen

Fons van Wieringen opent NSO-CNA

Dames & Heren, het is een genoegen om na 27 jaren een nieuwe fase in het bestaan van de NSO mee te maken.

De Nederlandse School voor Onderwijsmanagement NSO is opgericht in 1989 en daarmee de oudste schoolleidersopleiding van Nederland. Het initiatief tot oprichting van de NSO is genomen door Peter Karstanje, ons veel te vroeg ontvallen, en door mij.

De NSO kwam voort uit een landelijke beleidsbeweging die scholen meer ruimte wilde geven in ruil voor een betere verantwoording over de gerealiseerde kwaliteit samen met wensen vanuit het onderwijsveld in dezelfde richting van grotere beleidsvrijheid. Aan de opening ging een ontwikkelingstraject vooraf waaraan belangrijke bijdragen zijn geleverd door prof. dr. Ernst Marx (1922-2001) en prof. dr. Léon de Caluwé van belang.

Terugblikkend op de afgelopen 27 jaar kunnen we een aantal fasen onderkennen in de ontwikkeling van onderwijsmanagement-opleidingen in Nederland en in samenhang daarmee de waardering voor het schoolleiderschap.

Vanouds was de schoolleider was wel belangrijk maar we moesten dat vooral niet overdrijven. Thorbecke had in 1862/3 bij de behandeling van de Wet op het Middelbaar Onderwijs gezegd dat de directeur moest zijn als de ziel der school, maar of dat overal praktijk was weten we niet.

In de jaren 60 en 70 zag parallel aan de invoering van de wet op het voortgezet onderwijs en de wet basisonderwijs het ontstaan van scholengemeenschappen en grotere 8-klassige basisscholen. Het schoolleiderschap werd hierbij aangepast. Dat was een eerste fase.

In de jaren ’80 zien we een vervolg optreden. Deregulering en autonomievergroting werden belangrijke beleidsdoelstellingen. Als een conditie voor het realiseren van deregulering en autonomievergroting kwam de positie van de schoolleider naar voren. Geen behoorlijke autonomievergroting als er ook niet tegelijkertijd sprake zou zijn van een adequaat schoolmanagement. Schoolleiders of ruimer gezegd onderwijsmanagers wonnen aan betekenis. Meer over Management was de slogan.

Deze fase liep rond 2000/2005 ten einde. De klepel ging weer de andere kant op: management? Dat was niet zo best. Ik zie nog minister Plasterk een bezoek aan een school brengen en de vriendelijk uitgestoken hand van de schoolleider negeren, het ging hem immers alleen om de professional.

Een extreme positie die gelukkig al weer achter ons ligt. We naderen nu een fase waarin er meer erkenning is voor het management en onderwijsleiderschap, mits in goede dosering.

Management en onderwijsleiderschap zijn onmisbaar in ieder geval om drie redenen:

  • De schaal van onze scholen en vooral die van besturen is enorm gewijzigd. Ik was vier jaar voorzitter van de Commissie Fusietoets, dat helpt wel iets tegen grote eenheden maar nog niet heel veel. Als grote eenheden in verschillende gevallen onvermijdelijk zijn is interne schaalverkleining noodzakelijk en daarmee komt de rol van de direct leidinggevende dwingend naar voren.
  • De druk tot externe verantwoording van scholen is de afgelopen 26 jaren aanzienlijk toegenomen door een ongeduldige samenleving die er voortdurende bovenop zit.
  • We beseffen dat van alle factoren in de werkomgeving, naast de kenmerken van de leerlingenpopulatie, de impact van de direct leidinggevende op medewerkers het grootst is.

Er is op opleidingsgebied ook veel ten goede veranderd en is nog meer nodig.

  • Er is een beroepsstandaard voor schoolleiders ontwikkeld. De beroepsstandaard schoolleiders vo beschrijft wat de beroepsgroep vindt dat een schoolleider moet kennen, kunnen en doen. Hij is tot stand gekomen in nauw overleg met het veld: ongeveer 1.000 schoolleiders hebben meegedacht. Het mbo is anders georganiseerd maar iets dergelijks is in deze sector ook goed mogelijk.
  • Afgelopen maart is het schoolleidersregister vo geopend. Op termijn moet dit een overheidstaak worden. Om te registreren toon je de kwalificaties aan zoals beschreven in de beroepstandaard.
  • Het idee van gecertificeerde opleidingen is aanvaard.
  • In cao-afspraken wordt registreren voor schoolleiders verplicht.

Wat nog nodig is een verdere uitkristallisatie van tenminste drie zaken:

  • Een nadere empirische detaillering van hoe een schoolleider precies inwerkt op de kwaliteiten van het team. Drie jaar was ik voorzitter van de Jury Excellente Scholen en heb me geregeld afgevraagd wat kenmerkt het schoolleiderschap in deze scholen. Voor mezelf heb ik vaak geformuleerd als: een beredeneerde en onderkende vanzelfsprekendheid is voelbaar op zo een school en dat is vooral te danken aan de schoolleider.
  • Een nadere balancering van de maximaal aanvaardbare gelaagdheid binnen bestuur en management in grote tot zeer grote eenheden: wat is de meest productieve en betekenisvolle verhouding tussen bestuurscollege, schoolleider, locatieleider enz.
  • En tenslotte: het vormen van een normstelling vanuit de opleiding zoals dat bij elke beroepsgroep gebruikelijk is. Een landelijke concentratie van de opleidingen in 3 a 4 zwaartepunten die normstellend zijn voor de kwaliteit is daartoe vereist.

Een van die zwaartepunten zal gesitueerd zijn in Amsterdam en omgeving en het samengaan van de NSO en de CNA leiderschapsacademie is een mooie eerste stap in de richting van de vorming van zo een normstellend zwaartepunt voor de beroepsgroep.

Ik wens dit onderwijscentrum en alle betrokkenen een enerverend en voorspoedig traject.

Deel dit bericht

De budgetparadox

Cock Raaijmakers, 13 december 2019

 

Vraag

Heb jij je weleens afgevraagd hoe men jou als budgethouder nu eigenlijk afrekent? Ik neem aan dat ik me met deze vraag richt tot degenen die bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan tot bij- en nascholing, tot de coördinator van de buitenschoolse activiteiten, tot de leidinggevende belast met de uitvoering van de beleidsmatige onderwijsinnovatie. Lees verder ›

Deel dit bericht

Het verschieten van kleur gaat soms van ‘au’…

Gerritjan van Luin, 29 november 2019

Op weg naar nieuwe zekerheid.

De meesten van ons blijven niet hun hele werkzame leven op dezelfde plek. Soms verander je alleen van organisatie, soms stap je over voor een andere baan. Zo ben ik zelf leraar geweest op verschillende scholen en ben daarna voor verschillende leidinggevende functies van organisatie veranderd. Dat was iedere keer weer behoorlijk wennen. Aan ‘het doen en denken’ in de nieuwe organisatie en aan het werk dat ik niet eerder gedaan had. Nu werd dat wennen verzacht omdat het in alle gevallen om banen in schoolorganisaties ging. Een vertrouwde basis, omdat de overeenkomsten tussen scholen bijna altijd groter zijn dan de verschillen. Maar hoe zou het zijn als je overstapt naar een totaal andere baan in een totaal andere werkomgeving? Lees verder ›

Deel dit bericht

Hoe kun je je eigen veerkracht en die van je medewerkers ondersteunen?

Bart Schipmölder, 7 april 2020

Wij organiseren een korte gesprekkenreeks met schoolleiders, die erin geïnteresseerd zijn om met ons te verkennen wat er mét Corona op hun school binnenkomt en wat zij kunnen doen om daarbij hun eigen veerkracht en die van hun mensen te ondersteunen.

Uitdagingen op veel niveaus

Gesprekken met studenten in afgelopen weken maken op veel manieren duidelijk, dat er mét corona op dit moment veel ‘binnenkomt’ in het werk van schoolleiders. De ervaringen wijzen allemaal op een reeks van nieuwe vraagstukken en uitdagingen waar je als schoolleider je werk voor komt te staan.

Model KrantzHet dagelijks werk van een schoolleider komt tot stand op een kruispunt tussen het taaksysteem van de school, sociaal-emotionele verhoudingen, verwachtingen van anderen en de persoonlijke invulling die hij zelf geeft aan zijn werk (Krantz, J. 1997.) ‘Corona’ brengt op allerlei fronten in dit plaatje nieuwe omstandigheden teweeg. Niemand heeft een taakomschrijving, immers, waarin stond hoe te handelen ‘in tijden van corona’. En dat betekent nogal wat:

  • Organisatiekundig bezien, verandert het werk van schoolleiders door het wegvallen van structuren en een toegenomen onvoorspelbaarheid en diversiteit. Kansen en mogelijkheden liggen er nu overal, maar we moeten ze wel zelf benutten en intussen ook de spelregels daarbij uitvinden en hoe we ons tot elkaar verhouden.
  • Veranderkundig bezien, is het een opgave om de veerkracht van de school in stand te houden en ondersteunen. Dat vraagt er onder meer om dat je als leidinggevende zelf een houvast kunt zijn voor de mensen om je heen.
  • Interventiekundig bezien, is de opgave om in het dagelijks werk ‘onder water’ te kunnen kijken naar wat er in verhoudingen gebeurt, patronen die ontstaan te ondersteunen (of af te remmen als ze schadelijk zijn), de onderlinge zichtbaarheid te verzorgen van hoe mensen met hun werk en met de situatie bezig zijn, haalbare doelen te stellen (belangrijke vorm van houvast!), verwerkingsmogelijkheid te bieden voor angsten, neerslachtigheid (hyperenthousiasme, enz.) en constructief in te gaan op onbewuste processen zoals collusies en wij/zij-denken tussen groepen mensen op de school.

Lees ook de blog: Scholen in tijden van Corona. Hoe werk je aan veerkracht?

Drie bijeenkomsten

De gesprekkenreeks bestaat uit drie sessies:

  1. Gesprek 1: stand van zaken op de school te inventariseren, de persoonlijke uitdagingen in beeld te krijgen die zo voor deelnemers ontstaan en een vertrekpunt te bepalen voor het samen doordenken.
  2. Gesprek 2 & 3   In de tweede en derde bijeenkomst staan we stil bij de rol die deelnemers vervullen in de veerkracht van hun school en hoe ze hun eigen veerkracht ondersteunen en in stand houden. En bij de (lastige) situaties waar de deelnemers tegen aan lopen

Elke bijeenkomst duurt ca. 5 kwartier.

Docenten

De gesprekken staan onder leiding van Jan Hendriks, Sandra Schruijer en Frans Grobbe. Jan en Frans zijn docenten bij NSO-CNA in de module ‘School en Omgeving’ (MEM). Sandra is hoogleraar Organisatie­wetenschap (Universiteit Utrecht) en Organisatiepsychologie (TIAS, Universiteit van Tilburg).

Praktische informatie

Datum 1e gesprek: 4 mei, van 15:00 tot 16:30. Vervolgafspraken in overleg met de groep.

Maixmaal aantal deelnemers: 8

Kosten: geen

Deelnemers ontvangen een voorbereidende opdracht

Wachtlijst aanmelden






    Deel dit bericht

    Inge de Wolf over toenemende kansenongelijkheid in het Nederlands onderwijs

    Ewout van Luijk, 14 november 2019

    Inge de WolfTijdens de NSO-CNA inspiratiedag sprak Inge de Wolf over de toenemende kansenongelijkheid in het Nederlands onderwijs. Wat zijn de belangrijkste trends in het onderwijs? Waarom loopt de kansenongelijkheid op? En wat kun je hiertegen doen? Inge de Wolf is strategisch inspecteur bij de Onderwijsinspectie en hoogleraar onderwijssystemen aan de Maastricht University. Lees verder ›

    Deel dit bericht

    Hoe creëer ik ‘eigenaarschap’ in mijn team?

    Pim Visser, 7 november 2019

    Pim Visser EigenaarschapHerken je die vraag? Heb je ook mensen in je team die geen enkel eigen initiatief lijken te nemen? Die een taak alleen maar uitvoeren als jij het ze expliciet gevraagd hebt en dat je het geleverde werk dan ook nog moet controleren (of denkt te moeten controleren)? Dat mensen zinnetjes tegen jou zeggen als: “had ik dat ergens kunnen lezen …” of “ik wist niet dat ik dat had moeten doen …” of “daar heb ik geen uren voor in mijn taakbeleid …” Lees verder ›

    Deel dit bericht

    Heeft jouw team voldoende ontwikkelruimte?

    Karin Derksen, 24 mei 2019

     

    Stuurkunst teamvergadering onderwijsBijna elke schoolleider geeft direct of indirect leiding aan één of meerdere teams. Heeft jouw team voldoende ontwikelruimte?  Goed onderwijs realiseren en blijven ontwikkelen voor leerlingen en studenten kan geen enkele docent individueel. Dit kun je alleen in teamverband realiseren. Team staat dan voor ‘Together Everyone Achieves More’. Ondanks die mooie belofte van teamwerk blijkt uit onderzoeken dat het de meeste teams niet lukt om samen meer en beter te presteren[1]. Het is daarom niet verwonderlijk dat veel schoolleiders zich afvragen hoe ze het werken in teams succesvol kunnen maken. Vragen die zij bijvoorbeeld stellen: ‘Ik geef leiding aan het team havo-bovenbouw, maar de docenten voelen zich helemaal geen team. Wat kan ik daaraan doen?’; of ‘Hoe deel ik de teams logisch in, doe ik dat in jaarteams, semesterteams, vakteams, of nog anders?’ Lees verder ›

    Deel dit bericht

    “Maak van uw zoon of dochter geen putjesschepper”

    Bart Schipmölder, 14 november 2019

    Louise Elffers NSO-CNA Inspiratiedag 2019Louise Elffers over de opkomst van het schaduwonderwijs

    Louise Elffers is lector Kansrijke Schoolloopbanen in een Diverse Stad aan de Hogeschool van Amsterdam. Én schrijver van De Bijlesgeneratie. Zij nam ons tijdens de NSO-CNA Inspiratiedag mee in de opkomst van het schaduwonderwijs in Nederland.

    CITO-trainingen om te voorkomen dat kindlief een vmbo-advies krijgt. Of na schooltijd door naar de huiswerkbegeleiding om het gemiddelde examencijfer op te krikken voor de gewenste vervolgstudie. Allemaal voorbeelden van schaduwonderwijs, of ‘aanvullend onderwijs’ zoals de officiële beleidsnaam luidt.

    Het schaduwonderwijs is booming in Nederland. Sinds 1995 zijn de uitgaven hieraan verachtvoudigd. In 2016 gaven we er volgens het CBS 200 miljoen euro aan uit. Maar wat zijn de gevolgen als steeds meer leerlingen leunen op bijles?

    ‘Pushy parents’?

    In de maatschappelijke discussie wordt snel gewezen naar de ouders die hun kind naar bijles sturen. Zo riep Minister van Onderwijs Arie Slob ouders op te stoppen met het ‘omhoog drukken’ van kinderen naar de hoogste schoolniveaus.

    Heeft Minister Slob gelijk? Moeten ouders niet eens leren genoegen te nemen met het prestatieniveau van hun kind? Of is hier meer aan de hand?

    Wat zegt de opkomst van schaduwonderwijs bijvoorbeeld over het huidige onderwijssysteem? Of over onze maatschappij als geheel? En biedt het aanvullende onderwijs niet ook juist kansen tot samenwerking? Of om tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar maatwerk in het onderwijs?

    De antwoorden van Louise op bovenstaande vragen laten zien dat het zeker niet eenzijdig aan ‘pushy parents’ toe te schrijven is. Het wijst op een breder maatschappelijk probleem rond kansenongelijkheid.

    Hoger onderwijs loont

    Ook voormalig Minister van Onderwijs Jet Bussemaker deed in haar tijd een duit in het zakje: “Wat mij stoort is dat iedereen altijd maar ‘hogerop’ wil.” Een opmerkelijke uitspraak, liet Louise ons inzien. Want is het niet diezelfde overheid die onder het mom van de kenniseconomie het opleidingsniveau in Nederland wil verhogen?

    Dit verhogen van het opleidingsniveau is overigens een groot succes. Waar in 1960 nog maar 5% van de Nederlanders hoger opgeleid was, heeft in 2020 minimaal 40% hoger onderwijs genoten. In steden als Amsterdam en Utrecht ligt dit percentage al boven de 50%.

    Daarnaast blijkt het volgen van hoger onderwijs nog altijd te lonen. Iemand met een universitaire opleiding verdient al snel het dubbele van iemand met een mbo-opleiding. Het gevolg is dat er een groeiende kloof ontstaat tussen lager en hoger opgeleiden in Nederland.

    De politiek roept ouders dus op hun kinderen niet te ‘pushen’. Maar als het opleidingsniveau steeds meer de nieuwe scheidslijn in de samenleving wordt, kan je ouders dan verwijten dat zij het beste (lees het hoogste) voor hun kind willen?

    Vmbo-vermijdingscircus

    Je kunt echt spreken over een ‘angst voor het vmbo’. En in reclame-uitingen laten organisaties geen kans onbenut om daarop in te spelen: “Maak van uw zoon of dochter geen putjesschepper.”

    Hoe terecht is die angst? Als dochterlief een vmbo-advies krijgt, zijn haar kansen dan écht verkeken? Helaas blijkt uit onderzoek van de Onderwijsinspectie dat de padafhankelijkheid in het onderwijs niet moet worden onderschat. Sterker nog: deze neemt toe.

    Er is weinig opstroom in het onderwijs. Leerlingen die starten op het vmbo, eindigen ook vrijwel allemaal in het vmbo. Steeds meer scholen schaffen de brede brugklas af. En sluiten de mogelijkheden om op te stromen naar de havo af.

    Ook tussen de generaties blijkt sprake van padafhankelijkheid: het opleidingsniveau van de ouders blijkt de belangrijkste bepalende factor te zijn voor het schooladvies van hun kinderen.

    En dat terwijl uit onderzoek blijkt dat de cognitieve verschillen tussen leerlingen uit de verschillende onderwijsniveaus veel kleiner te zijn dan men denkt. Zo scoort de beste vmbo-basisleerling beter in leesvaardigheid dan de slechtste vwo-leerling.

    Dus: het schooladvies aan het einde van de basisschool is enorm bepalend. Zowel voor het verloop van de onderwijscarrière én de kansen in en het leven daarna. Is het dan echt zo verbazingwekkend dat de vmbo-vermijdingscursussen als paddenstoelen uit de grond schieten?

    Schaduwonderwijs: passend onderwijs dat wél werkt

    DLouise Elffers NSO-CNA Inspiratiedag 2019 Gelijke kansen in het onderwijse opkomst van schaduwonderwijs roept ook vragen op over de rol van de school. Want wat zegt het groeiende gebruik van bijlessen over het functioneren van het publiek bekostigd onderwijs?

    Moet een school niet in staat zijn om de potentie van elke leerling tot uiting te laten komen? En daarmee de ongelijke verdeling van kansen beperken?

    De maatschappelijke discussie over het lerarentekort laat echter zien dat de huidige budgetten en mankracht in het onderwijs onder druk staan. En dat de kwaliteit van het onderwijs daarmee in gevaar komt. Betekent dit dat de houdbaarheidsdatum van het huidige onderwijssysteem bereikt is?

    Het aanbod in aanvullend onderwijs lijkt in ieder geval te voorzien in een behoefte. Ook steeds meer scholen maken er gebruik van. Op menig open dag vind je tegenwoordig flyers en kraampjes van aanbieders van bijles en examentrainingen.

    Scholen geven deze aanbieders alle ruimte. Want zij merken dat hun schoolresultaten hierdoor verhogen. En tegelijkertijd leraren ontlasten in de ondersteuning van de “zwakkere” leerling. Bovendien beginnen ouders te verwachten dat de school hen hierin faciliteert.

    Ook leerlingen geven aan dat zij het fijn vinden om na schooltijd hun huiswerk te maken bij een huiswerkbegeleider. Ze vinden daar een veilige en rustige plek, weg van alle prikkels thuis en op school.

    Het aanvullend onderwijs lijkt hiermee tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar maatwerk in het onderwijs. Je zou zelfs kunnen stellen dat het een vorm van passend onderwijs is geworden die wél werkt.

    Druk van de ketel

    Zo liet Louise Elffers ons mooi zien hoe een breed maatschappelijk systeem leidde tot de opkomst van het schaduwonderwijs. Niet alleen ‘pushy parents’ of een falend onderwijssysteem zijn hier debet aan. Maar een bredere maatschappelijke ontwikkeling waarbij opleidingsniveau steeds meer de kansen van een leerling bepaalt.

    Uiteraard is het aan het onderwijs om aandacht te houden voor de systeemkenmerken die de kansenongelijkheid in stand houden of zelfs versterken. Scholen en daarmee schoolleiders kunnen meer doen om kansenongelijkheid tegen te gaan. Echter moeten we oppassen dat we niet te kort door de bocht gaan. En via de politiek een brede maatschappelijke dialoog blijven voeren over hoe we de druk van de ketel kunnen krijgen in ons systeem.

     

    Verslag door Ewout van Luijk

    Deel dit bericht
    Spring naar toolbar